Gaten en gangen in bomen (schorskevers, boktorren en meer)

Vrijwel elke natuurliefhebber is wel bekend met letterzetters. Het zijn de ouderdieren en de larven van de schorskever Ips typographus, die op sparren mooie vraatpatronen maken onder de bast. In deze symmetrische vraatsporen zou je de hand kunnen zien van een graficus, vandaar de naam. De naam is zó bekend dat als er op de Facebook Diersporen groep een dergelijk spoor voorbijkomt, steevast iemand wel het spoor benoemt als letterzetter. Er zijn in Nederland al gauw enkele honderden soorten kevers die vraatsporen achterlaten in hout. Een groot aantal soorten is gespecialiseerd op één of enkele verwante boomsoorten, die we de waardbomen of waardplanten noemen (net zoals bij vlinders). Verder is er specialisatie op diameter van de stam, en de plek op de boom. Dit zijn niet alleen maar schorskevers, maar ook andere soortgroepen als prachtkevers en boktorren. Verder zijn er ook andere insecten die in hout leven zoals bijvoorbeeld houtwespen. Deze vier soortgroepen gaan we bekijken in dit artikel, en leren zien hoe de vraatpatronen te herkennen zijn.

Eerst enkele termen

Figuur 1: Termen

Figuur 1: Termen

Voordat we naar de vraatpatronen gaan moeten we eerst enkele termen weten (zie figuur 1). De kern van een boom bestaat uit dood hout, het vaak donkerder gekleurde dode kernhout. Daaromheen ligt een schil van vaak lichter gekleurd spinthout dat nog leeft en dat water en voedingstoffen naar boven transporteert. Het hout is door de jaren laagje bij laagje opgebouwd wat ook de bekende jaarringen geeft. Tussen het spinthout en de bast bevindt zich een ééncellige laag, het cambium. Wanneer een cel zich daar splitst wordt 1 van de 2 nieuwe cellen dan wel bast of hout. Deze laag is weleens zichtbaar in het voorjaar als je van een tak de bast pelt, anders niet. Verder naar buiten ligt de bast, die vooral suikers van de bladeren naar andere delen van de boom transporteert. Aan de buitenkant van de boom zit tenslotte de schors. Die vormt de ‘huid’ van de boom en beschermt deze tegen bacteriën en schimmels van buitenaf. Overigens wordt vaak de gehele buitenste laag (de bast en de schors samen) bast of schors genoemd.

Soorten kunnen zich specialiseren op welke delen ze van de boom eten. Zo zijn er soorten die van het cambium maar ook van de nog iets voedselrijke bast en soms wat oppervlakkig van het spinthout. Andere soorten leven geheel van het hout.

Schorskevers

Vraatpatronen van schorskevers (soms ook wel bastkevers genoemd) zijn goed te onderscheiden van de drie andere soortgroepen. In tegenstelling tot prachtkevers, boktorren en houtwespen laten bij schorskevers namelijk de ouderdieren duidelijke vraatgangen onder de schors achter. De ouderdieren paren met elkaar in een zogenaamde paringskamer onder de schors van een boom. Vanuit deze paringskamer leggen de moederdieren zogenaamde moedergangen aan waar de eitjes in worden gelegd. Wanneer die uitkomen graven de larven kleinere gangen van die moedergang af. Dat geeft het specifieke patroon waarmee vaak tot op soort te determineren is. Vaak komt de naam van de waardplant voor in de naam van de schorskever. Bijvoorbeeld de grote iepenspintkever (Scolytus scolytus). Overigens is het niet uitgesloten dat die soort dan niet ook op andere waardplanten voorkomt.

Figuur 2: De grote iepenspintkever, duidelijk te zien is de moedergang waar vanuit de larven zich weg eten.

Figuur 2: De grote iepenspintkever, duidelijk te zien is de moedergang waar vanuit de larven zich weg eten.

In figuur 2 is tevens goed te zien dat naarmate de larven ouder worden en toenemen in grootte, de gangen ook breder worden. Ten slotte verpoppen zij zich waarna ze transformeren naar kevers die zich ten slotte een weg naar buiten eten door de schors.

Figuur 3: De kenmerkende ‘ventilatiegaatjes’ van de grote berkenspintkever met het onderliggende vraatpatroon (niet dezelfde). Foto Jan ten Hoopen.

Figuur 3: De kenmerkende ‘ventilatiegaatjes’ van de grote berkenspintkever met het onderliggende vraatpatroon (niet dezelfde). Foto Jan ten Hoopen.

Soms kan je op een berk een rij gaatjes vinden (zie figuur 3). Dit zijn ‘ventilatiegaatjes’ die de vrouwelijke kever boven de moedergang gemaakt heeft. Als je daar de schors verwijdert vindt je het patroon van de grote berkenspintkever (Scolytus ratzeburgi) terug.

Figuur 4: Het typische vogelfiguur van de kleine dennenscheerder. Het vogellichaam is de paringskamer waarna het vrouwtje twee moedergangen maakt, de vleugels. De gaatjes rondom zijn de verschillende popkamers.

Figuur 4: Het typische vogelfiguur van de kleine dennenscheerder. Het vogellichaam is de paringskamer waarna het vrouwtje twee moedergangen maakt, de vleugels. De gaatjes rondom zijn de verschillende popkamers.

Overigens is ook de letterzetter een schorskever, waar dus een typische moedergang te zien is met uitwaaierende larfgangen. Overigens, de soort komt bijna uitsluitend voor op sparrensoorten en bij uitzondering op andere naaldbomen. Een vraatpatroon op een andere boom dan sparren is dus meestal geen letterzetter en op loofbomen kan het dus nooit een letterzetter zijn.

Spintkevers zijn een subgroep van de schorskevers. De moedergangen en larfgangen van de spintkevers liggen wat verdiept in het spinthout, iets wat je trouwens ook wel bij andere schorskevers kunt zien, zeker als de bast erg dun is.

Prachtkevers

Figuur 5: de eikenprachtkever. Foto Wikipedia

Figuur 5: de eikenprachtkever. Foto Wikipedia

Prachtkevers paren niet onder de bast, maar buiten de boom. De eitjes worden daarna gelegd in de bast. Uitzonderingen daargelaten eten de larven slechts van het cambium, de voedselrijke zone tussen bast en hout. Ze gaan hooguit het spinthout in om te verpoppen. Afhankelijk van de soort kun je de popkamers in de bast, tussen bast en hout en in het spinthout vinden. Het resultaat is een compleet ander vraatbeeld dan bij de schorskevers. Nu lopen de gangen los van elkaar zonder uit te stralen vanuit een centrale moedergang. Een bekende prachtkever in Nederland is de eikenprachtkever waarvan het vraatpatroon te zien is op figuur 5. Het is een soort die verzwakte bomen aantast. Daar de vraat de gehele omtrek van de boom omringt en zo de vitale sapstromen onderbreekt zal de boom sterven.
Prachtkevers hebben een relatief groot hoofd met een klein lichaam. Tijdens het knagen waaiert het lichaam hierdoor heen-en-weer. De uitwerpselen en houtresten (genaamd frass) worden hierdoor in laagjes afgezet. Omdat ze afwisselend van het spinthout en cambium eten geeft dit een patroon van lichte en donkere boogjes.

Figuur 6: Het typische patroon van frass afgezet in boogjes van een prachtkever. Foto: Jan ten Hoopen.

Figuur 6: Het typische patroon van frass afgezet in boogjes van een prachtkever. Foto: Jan ten Hoopen.

Boktorren

Boktorren leven net zoals prachtkevers van verschillende delen van de boom. Er zijn soorten die slechts leven van het cambium, maar veel vaker dan prachtkevers, ook soorten die leven van het spinthout of zelfs het voedselarme kernhout. Berucht is de huisboktor waarvan de larven leven in houten constructies gemaakt door ons mensen. In het bos levende soorten zijn niet primair schadelijk voor bomen. Dat wil zeggen, ze tasten alleen reeds verzwakte of al dode bomen aan, geen gezonde. Slechts enkele geïmporteerde Aziatische boktorren zijn primair schadelijk en zorgen voor het afsterven van gezonde bomen. Deze groep heeft dus eigenlijk onterecht een schadelijke naam. De grijze ribbelboktor (Rhagium inquisitor) komt in Nederland veel voor op Grove Den en leeft van het cambium. Niet zelden kan je zijn popkamer vinden wanneer je bast van een dode Grove Den verwijderd (figuur 7). Van houtspaanders maakt de larve een popkamer waarin het zich verpopt. Nadat het getransformeerd is naar een volwassen boktor vreet het zich een weg naar buiten waar een rond tot wat rechthoekig uitvlieggat het zichtbare bewijs van is. Vergeleken met andere soorten komt het uitvlieggat wat slordig over, en kan zo een determinatiekenmerk zijn.
Anders dan bij prachtkevers is het lichaam van boktorren rechttoe rechtaan. Er is dan ook geen boogvormig patroon te zien in het frass.

Figuur 7: Tweemaal een popkamer van een grijze ribbelboktor. Links is het volwassen exemplaar uitgevlogen. Door zich naar buiten te knagen is de popkamer gevuld met frass. In de popkamer rechts is de larve nog aanwezig. Foto rechts Jan ten Hoopen.

Figuur 7: Tweemaal een popkamer van een grijze ribbelboktor. Links is het volwassen exemplaar uitgevlogen. Door zich naar buiten te knagen is de popkamer gevuld met frass. In de popkamer rechts is de larve nog aanwezig. Foto rechts Jan ten Hoopen.

Houtwespen


Jan ten Hoopen legde deze uitkruipende wilgenhoutwesp op video vast. Video Jan ten Hoopen

Naast bovengenoemde soortgroepen kevers kun je ook de sporen van houtwespen tegenkomen. Die leggen de eitjes met een lange legboor enkele centimeters diep in het hout. Ze inoculeren tegelijkertijd het hout met een schimmel. Zonder deze schimmel kunnen de larven het hout niet verteren. De larven maken erg lange gangen, dwars door de boom (kernhout en spinthout) heen. De gangen zijn zo dichtgepakt met frass dat je bij het doorzagen goed moet kijken om ze te zien. De legboor is zo smal dat je daarvan geen sporen ziet. Je ziet aan het oppervlak dus alleen de ronde uitvlieggaten die vaak in groepjes liggen. De uitvlieggaten zijn sterk variabel in grootte, omdat mannetjes en vrouwtjes in grootte verschillen. Daarnaast zijn er ook vaak ronde uitvlieggaten te zien van sluipwespen die op de larven van de houtwespen parasiteerden.

Gaten in de boom

Figuur 8: Links het uitvlieggat van een eikenspintkever, rechts een eikenwespenboktor. Beidden op hetzelfde stuk eikentak. Ondanks dat schorskevers over het algemeen kleine uitvliegopeningen hebben is determinatie op deze uitgangsopeningen alleen slechts weggelegd voor experts. Het onderliggende vraatpatroon helpt! Foto Jan ten Hoopen.

Figuur 8: Links het uitvlieggat van een eikenspintkever, rechts een eikenwespenboktor. Beidden op hetzelfde stuk eikentak. Ondanks dat schorskevers over het algemeen kleine uitvliegopeningen hebben is determinatie op deze uitgangsopeningen alleen slechts weggelegd voor experts. Het onderliggende vraatpatroon helpt! Foto Jan ten Hoopen.

Om onder de bast te komen moeten de verschillende soorten schorskevers eerst een gat maken, het zogenaamde inkruipgat. Omdat ze vanuit een liggende positie naar binnen knagen zijn deze openingen altijd schuin naar beneden gericht. Uitgangsgaten zijn doorgaans rechter tot loodrecht.
De uitvlieggaten komen qua vorm min of meer overeen met de dwarsdoorsnede van de kever.

gaten

Figuur 9: De verschillende vormen van uitvlieggaten.

Prachtkevers hebben vaak een wat platter uitvlieggat. Buprestis soorten spitsovale, en Anthaxia soorten platovale gaten. De Agrilus soorten, een grote groep van wat kleinere en smallere prachtkevers hebben meestal zogenaamde afgesneden ovale uitvlieggaten (niet zo plat dus). Boktorren hebben een grote variatie aan uitvlieggaten. Van rond tot platovaal. Gemiddeld vaak wel hoger dan prachtkevers. Schorskevers hebben allemaal ronde uitvlieggaten, net als houtwespen. Overigens vereist het determineren op deze gaten wel ruime ervaring. En zal bovendien in de regel samen met de determinatie van het onderliggende vraatpatroon moeten gebeuren.

Figuur 10: Uitvliegopening van de blauwe dennenprachtkever. Op de foto rechts is de onderliggende popkamer vrijgemaakt. Deze soort leeft slechts van het cambium waardoor er geen sporen in het hout zichtbaar zijn, en verpopt zich in de bast. Foto's Jan ten Hoopen.

Figuur 10: Uitvliegopening van de blauwe dennenprachtkever. Op de foto rechts is de onderliggende popkamer vrijgemaakt. Deze soort leeft slechts van het cambium waardoor er geen sporen in het hout zichtbaar zijn, en verpopt zich in de bast. Foto’s Jan ten Hoopen.

Nog meer soortgroepen

Met het omschrijven van de algemene kenmerken van bastkevers, prachtkevers, boktorren en houtwespen hebben we de meest voorkomende sporen van dit type behandeld. Er zijn er echter nog meer, zoals schijnboktorren, platneuskevers, snuitkevers, zwamspartelkevers en meer. Dat gaat voor nu echter te ver voor dit inleidende artikel.

In dit paspoort vindt je nog meer informatie, als wel soortspecifieke informatie voor het determineren van de maker van het spoor.

Dit artikel was er niet geweest zonder de kennis van Jan ten Hoopen. Jan schreef onder meer Successie in een kevergang en is bosecoloog. Ten slotte heeft hij dit artikel gecorrigeerd en aangevuld.

Deze special is onderdeel van Diersporengids.nl, een online sporengids die je met een mobiel altijd bij je hebt! Een abonnement is slechts €14,95 per jaar. Nog even verder kijken? Op de homepagina staat meer informatie en links naar gratis paspoorten en andere specials.

Geef een reactie